Afscheid
January 9th, 2012In de ooghoek van mijn moeder zit een vlek. Een zwarte vlek. Als ik iets beter kijk zie ik dat er ook vlekken op haar handen zitten. Ze ziet er te netjes uit. Netter dan ik haar ooit gezien heb. Te keurig. Het zijn niet de vlekken of het keurig waardoor ik haar bijna niet terug ken. Het is de dood.
Een half jaar eerder stond ik precies zo over een kist gebogen. Die juni-dag keek ik naar het levenloze lichaam van mijn stiefvader die helemaal niet meer op mijn stiefvader leek. Hij zag er te netjes uit. Zijn snor was recht geknipt. Een rechtgeknipte snor. Dat had ik in de 32 jaar dat ik hem kende nog nooit gezien. Maar het was niet het te netjes of de recht geknipte snor dat ik hem bijna niet herkende. Het was de dood.
Het is niet vreemd dat er al zwarte vlekken in haar ooghoek en op haar handen zitten. Ze is al 10 dagen dood. Tien dagen dood, 8 dagen geleden gevonden en twee feestdagen er tussen. Daar kan geen koelinstallatie tegen op.
Bij haar zijn het slechts een paar vlekken. Bij hem waren het bijna zijn hele vingers. Hij was al 8 maanden lang bezig met dood gaan. De laatste weken voor zijn dood had het leven zijn vingers alvast verlaten. Zoals hij al 8 maanden lang dag na dag beetje bij beetje aan het sterven was.
Ik kijk nog eenmaal naar haar. Ik herken haar bijna niet. Haar nek ziet er dik en ingezakt uit. Dikker dan de weinige kilos die ze de laatste weken nog woog. Ze doet me aan mijn oma denken.
De momenten dat ik in de kisten keek herkende ik beide bijna niet. Niet door de zwarte vlekken. Ook niet door het te netjes. Ik herkende ze bijna niet door de dood. De dood die na de laatste adem als een masker over ze heen is gegleden. De dood die ieder teken van leven in een fractie van een seconde heeft doen verdwijnen en die het uiterlijk van een wassen beeld hiervoor in de plaats heeft gebracht.
Voor de tweede keer in zes maanden tijd sta ik op van mijn stoel en loop naar de microfoon. Ik vouw het papier waarop mijn tekst staat uit. Ik slik. Ik durf de zaal niet in te kijken. Ik hyperventileer me door mijn afscheid heen.
Na afloop schud ik veel handen waarvan ik geen idee heb wie het zijn. De handen die ik wel ken houden me overeind.

Imelda May ziet er geweldig uit. Ze heeft een groene jurk aan met panterprint. Haar haar zit in een strakke kuif gerold. De begeleidingsband is van goed (drummer), naar beter (gitarist en bassist), naar geweldig (trompetist). Die begeleidingsband zet een strak en solide geluid neer waar overheen de stem van Imelda kan excelleren. Tijdens de eerste twee nummers is het geluid van de zang nog een beetje blikkerig afgesteld alsof het tegen rondzingen aan zit, maar daarna is het precies goed. Ingetogen waar het ingetogen moet zijn. Hard waar het harder kan. Een heerlijk rauw rafelrandje wanneer we vanuit de nachtclub de regenachtige straat op getrokken worden. 






