Ik sta op een steiger en staar in het water.

June 15th, 2012

Ik sta op een steiger en staar in het water. Ik stond hier eerder. In een verleden dat nog amper een verleden is zo dicht bij nog. Het water is groen.

De steiger bevindt zich net voorbij het einde van de wereld. Zo lijkt het. Asfalt, dan opeens niets en dan de steiger. In dat niets zit ik in dat nog zo dichtbije verleden op een muurtje het niets in te staren. Ik wacht. Het niets oogt als een loverslane. Achter het stenen muurtje lege colaflessen, half verroeste bierblikjes en geconsumeerde zakken chips. Ik kijk of ik condooms zie liggen.

Ik kijk of ik condooms zie liggen. Ik ben niet gestoord, maar zoek een afleiding. Afleiding van de prikkende tranen. De regen miezert. Als het harder gaat regenen zie je het nat van mijn tranen straks niet meer.

Mijn moeder arriveert. Ik sta me aan haar te ergeren. Nu kan dat nog. Nu kan ik me nog aan haar ergeren. Als ik me weer op dezelfde plek bevind zal dat niet meer kunnen. Dan is ze nog slechts as in een urn in mijn handen. Maar dat weet ik nu nog niet.

Ik sta op een steiger en staar in het water. Ik stond hier eerder. In een verleden dat nog amper een verleden is zo dicht bij nog. Het water is groen. Groen met een grijze aswolk. Die as wolk is mijn moeder.

Ik kijk naar de aswolk die ooit mijn moeder was en zie haar langzaam oplossen in het groene water. De zonnebloemen die we in het water gooiden drijven op de stroming langzaam uit het zicht. Ik kijk naar de aswolk die ooit mijn moeder was. Ik erger me niet aan haar. Ik mis haar. Ik vloek binnensmonds. Godverdomme.

In het nog zo dichtbije verleden sta ik me aan haar te ergeren. Midden op de steiger schept ze een lepel as die ooit haar man was uit de urn. De wind wint en we kloppen de as uit onze haren. Nu sta ik met de as die ooit mijn moeder was op dezelfde steiger en mis ik haar.

Als je er in gelooft kun je zeggen dat ze nu weer samen zijn. Ik geloof er niet in, maar ik zeg het wel. Het heeft wel iets moois. Ze zou het zo gewild hebben. Denken we.

In een verleden dat iets minder dichtbij is ergerde ik me aan ze. Op de steiger breng ik ze weer samen.

Kon ik me nog maar aan ze ergeren….

Godverdomme.

Ik moet trouwens ook plassen

March 6th, 2012

Op drie kwart van het optreden ben ik het opeens zat. Ik moet trouwens ook plassen. Dat moeten plassen is niet de hoofdreden dat ik mij door de mensen massa naar de uitgang van de zaal begeef. Het is ook niet die halve gare die naast me staat. Die mafkees die zijn camera omhoog houdt en naar zijn schermpje staart in plaats van naar het podium. De puist in zijn nek die waarschijnlijk zijn vriendinnetje is wijst hem er aan het eind van het nummer op dat hij is vergeten om de record knop in te drukken. Ik verslik me bijna in mijn biertje.

Als ik beneden in de catacomben voor het urinoir sta durf ik het aan mezelf toe te geven. Ik vind er weinig tot niets aan. Maanden heb ik hier naar uitgekeken, maar het stelt me (wederom) teleur. Ik had verwacht bij de strot gegrepen te worden. Rillingen over mijn rug. Tranen prikkend in mijn ooghoeken. Dat wat muziek wel eens met je doet. Maar niets van dat.

Geen rillingen. Geen tranen. Ik sta me zelfs niet te ergeren aan die malloot naast me. Die met die puist in zijn nek die waarschijnlijk zijn vriendinnetje is. Ik moet slechts om hem lachen. Met zijn mislukte opnames en zijn heen en weer gezwier als ware hij een josti. Geen rillingen, geen tranen, geen ergernis. Teleurstelling. Dat is wat ik voel.

Tijdens een biertje vooraf hadden we het eigenlijk al uit gesproken. De nieuwe dubbelaar Blues Funeral leek in eerste instantie een wereldplaat, maar zakt na een aantal draaibeurten af naar wel een aardig album. Een paar geweldig mooie en meeslepende nummers redden de plaat niet van toch dat klein beetje saaiheid.

Laat Mark Lanegan het telefoonboek voorlezen en nog is het mooi. Breng dat uit in een box met 10 lp’s en ik zal hem kopen. Die stem. Live kan het me alleen niet boeien. De stem is niet genoeg. Nergens gaat het los. Nergens rockt het. Nergens scheuren de randen tot rafels. Het concert kabbelt voort van nummer naar nummer naar het einde. Af en toe lijkt het los te komen, maar nergens wordt dat echt doorgezet.  

Dat Mark er als een wassenbeeld bij staat en niet communiceert met het publiek zal me een rotzorg zijn. Ik kom niet voor een uitslover of voor een pleaser. Ik kom voor de stem. Maar de stem is niet genoeg. Zelfs niet nu hij dat huilkind waar hij de afgelopen jaren vaak mee optrad heeft thuis gelaten. De stem alleen kan naar blijkt niet een middelmatig, beetje belegen optreden naar een hoger plan tillen.

Terwijl ik een biertje bestel in de kelderbar neem ik het besluit dat het saai is en dat ik zijn concerten voorlopig over sla.

“Het voelt alsof ik twee mensen aan het uitwissen ben.”

February 28th, 2012

In mijn handen heb ik een oranje jurkje met een bijpassend jasje. Een jasje met zeer veel schoudervulling. Zeer veel schoudervulling die de jaren 80 verraden. Ik heb het nog nooit eerder gezien. Of het wel gedragen is, is een terechte vraag. Het jurkje en bijpassend jasje verdwijnen in de zak van Max. Aan het volgende knaapje hangt een jas die ik me wel herinner. Maar in die herinnering was ik hooguit 15. Waarom zou je dingen weggooien.

Ooit, een jaar of 39 geleden, kreeg ik op de commode waar ik voor sta een schone luier aangemeten. In de lades zullen handdoeken, washandjes, luier en hansopjes gelegen hebben. Lades die ik nu, 39 jaar later, alleen met geweld open krijg. Uit de tweede lade haal ik een zak met beitels. De zak is gemaakt van een afgeknipte pijp van een spijkerbroek. Ik sta er een minuut of 10 mee in mijn handen. De tranen rollen over mijn wangen.

“Ik heb vandaag alle bankpapieren uitgezocht. Ik heb een heleboel weggegooid”, zegt mijn zus door de telefoon. “Het voelt alsof ik twee mensen aan het uitwissen ben.”

Als we aan het eind van de middag de voordeur achter ons dicht trekken is het ouderlijk huis in mijn hoofd niet langer meer het ouderlijk huis van die ochtend. De foto’s van de makelaar die ik een week later ontvang bevestigen dit. Ze tonen een woonkamer waar de herinneringen uit weg gehaald zijn. Verpakt in dozen en meegenomen door de kringloopwinkel of wachtend op een familielid met belangstelling. In de zithoek die getoond wordt zie ik mijn ouders niet meer zitten. We hebben ze vanmiddag een stukje uitgewist.

Op de tafel liggen dozen met foto’s en vakantiedagboeken. Dat is ons nu nog even te veel. Dat trekken we niet. We besluiten ze later uit te zoeken. Later als we sterker zijn. We hebben onze ouders vanmiddag wel genoeg uitgewist.

Na amper twee weken melden de eerste belangstellenden zich voor het huis. Ze komen op zaterdag kijken. De bezichtiging duurt ruim een uur. Dat heeft de makelaar nog nooit meegemaakt. De dag er na zijn ze terug bij het huis. Ze hebben hun ouders mee genomen. Een uur lang dwalen ze om het huis heen. Ze stellen zich aan de buurvrouw voor als de nieuwe buren.

Een paar dagen later sta ik in een trein. Aan de telefoon de makelaar. Tijdens een avondspits onderhandel ik tussen de andere forensen over onwerkelijke bedragen. Nog die zelfde avond zijn we er uit. We komen een prijs overeen waar beide partijen mee kunnen leven. Zij een goedkoop goed huis, wij een prijs waar respect naar onze ouders die er hun leven lang hard voor gewerkt hebben uit spreekt. Nu is het slechts nog wachten op een handtekening.

Het moment dat in de huidige stand van zaken op de huizenmarkt nog een heel eind weg leek komt angstig dichtbij. Het moment dat we de laatste spullen uit het huis zullen halen en de deur voorgoed achter ons dicht trekken. Vanaf dat moment bestaat het ouderlijk huis niet meer. Vanaf dat moment leven onze ouders alleen nog voort in onze harten. In onze herinneringen. Wat foto’s, een enkel persoonlijk voorwerp en een onvoorstelbaar bedrag op de bank. Achter het keukenraam zal nooit meer het gezicht van mijn moeder of stiefvader verschijnen. Een vreemde vrouw zal mij aanstaren.

 Ik zie het moment met angst tegemoet.

Afscheid

January 9th, 2012

In de ooghoek van mijn moeder zit een vlek. Een zwarte vlek. Als ik iets beter kijk zie ik dat er ook vlekken op haar handen zitten. Ze ziet er te netjes uit. Netter dan ik haar ooit gezien heb. Te keurig. Het zijn niet de vlekken of het keurig waardoor ik haar bijna niet terug ken. Het is de dood.

Een half jaar eerder stond ik precies zo over een kist gebogen. Die juni-dag keek ik naar het levenloze lichaam van mijn stiefvader die helemaal niet meer op mijn stiefvader leek. Hij zag er te netjes uit. Zijn snor was recht geknipt. Een rechtgeknipte snor. Dat had ik in de 32 jaar dat ik hem kende nog nooit gezien. Maar het was niet het te netjes of de recht geknipte snor dat ik hem bijna niet herkende. Het was de dood.

Het is niet vreemd dat er al zwarte vlekken in haar ooghoek en op haar handen zitten. Ze is al 10 dagen dood. Tien dagen dood, 8 dagen geleden gevonden en twee feestdagen er tussen. Daar kan geen koelinstallatie tegen op.

Bij haar zijn het slechts een paar vlekken. Bij hem waren het bijna zijn hele vingers. Hij was al 8 maanden lang bezig met dood gaan. De laatste weken voor zijn dood had het leven zijn vingers alvast verlaten. Zoals hij al 8 maanden lang dag na dag beetje bij beetje aan het sterven was.

Ik kijk nog eenmaal naar haar. Ik herken haar bijna niet. Haar nek ziet er dik en ingezakt uit. Dikker dan de weinige kilos die ze de laatste weken nog woog. Ze doet me aan mijn oma denken.

De momenten dat ik in de kisten keek herkende ik beide bijna niet. Niet door de zwarte vlekken. Ook niet door het te netjes. Ik herkende ze bijna niet door de dood. De dood die na de laatste adem als een masker over ze heen is gegleden. De dood die ieder teken van leven in een fractie van een seconde heeft doen verdwijnen en die het uiterlijk van een wassen beeld hiervoor in de plaats heeft gebracht.

Voor de tweede keer in zes maanden tijd sta ik op van mijn stoel en loop naar de microfoon. Ik vouw het papier waarop mijn tekst staat uit. Ik slik. Ik durf de zaal niet in te kijken. Ik hyperventileer me door mijn afscheid heen.

Na afloop schud ik veel handen waarvan ik geen idee heb wie het zijn. De handen die ik wel ken houden me overeind.

The man in black

March 25th, 2010

Ik staar in gedachten verzonken voor me uit. Ik zit aan de bar van mijn favoriete cafe. Een fles bier voor mijn neus. Een sigaret in mijn hand. In dit cafe wordt gewoon gerookt. Dit is ons cafe. Wij maken zelf wel uit of hier gerookt wordt of niet. Hier wordt dus gerookt.

“Good evening. A bottle of beer please”, hoor ik de man die naast me is komen zitten zeggen. De stem klinkt bekend, maar kan mij niet uit mijn gedachten halen. Ik neem een slok uit mijn fles. Een hijs rook verdwijnt in mijn longen. Ik staar voor me uit.

Ik denk aan haar. Aan hoe ze me genaaid heeft. Ik denk aan de laatste wedstrijd van mijn favoriete voetbal elftal. Aan het winnende doelpunt. Ik denk aan de treinreis van morgen. Aan waar ik naar toe reis. Ik denk aan de middelbare schooltijd. Aan hoe gelukkig ik toen ook al niet was. Ik denk aan van alles en ik denk aan niets. Welkom in mijn hoofd.

“Can I have another beer please? And please give one to this gentleman sitting next to me”, hoor ik de man naast me zeggen. Er wordt een fles bier voor mijn neus gezet. Ik kan nu niet langer in gedachten verzonken blijven. Ik zal de man aan moeten kijken en hem bedanken voor het bier. De fles optillen, tegen die van hem aanslaan en cheers zeggen.

Ik wil helemaal niet uit mijn verzonken gedachten komen. Ik ben hier juist gaan zitten om voor me uit te staren. Om verlost te zijn van de op mij af komende muren. Mooi zitten. Dom kijken. Dat was het hele idee. Bier drinken en geen gezeik aan mijn kop. En nu biedt de man naast mij me een biertje aan. Ik zal moeten reageren. Er zal een gesprek volgen. Een gesprek waar ik alles behalve zin in heb. Ik zal wel moeten. Ik stap uit mijn gedachten en kijk naar links.

Ik kijk in het lachende gezicht van Johnny Cash. “Cheers my friend.” zegt hij als we onze flessen bier tegen elkaar aan proosten. “Cheers.” Ik ben met stomheid geslagen. Johnny Cash. In the flesh. Johnny fucking Cash. Een pot bier in zijn hand. Een big smile op zijn gegroefde kop. A man in black. Zo dood als een pier, maar mooi dat hij op de barkruk naast mij zit.

Dat is precies wat ik tegen hem zeg. Wat hij hier doet, want hij is fokking dood. Reden genoeg om hier helemaal niet naast me te kunnen zitten. En hoe komt het dan dat hij hier wel naast me zit. In the flesh. In het zwart. En beetje stom te lachen met een fles bier in zijn hand.

“Ik ben hier voor jou mijn vriend. Ik ben hier om een bericht aan je over te brengen. Een bericht dat op het eerste oog niet als goed nieuws over zal komen. Namelijk dit; als je te overlijden komt dan ga je naar de hel Frommel. Je hebt je plaats in de hemel al jaren geleden verspeeld. Het wordt de hel, maar vrees niet. De hel is waar de toffe mensen heen gaan. De hel is rock and roll. Ik zal er op je wachten Frommel. Ik zal de eerste zijn die je ziet bij binnenkomst. Ik zal een lied voor je zingen. Een lied dat jij mag kiezen. Niet nu. Maak je geen zorgen. Het moment dat je binnen komt zal ik weten welk lied ik voor je moet spelen. Ik zal het weten en ik zal het voor je spelen en alles zal goed zijn.”

Ik ben met stomheid geslagen. Vol ongeloof staar ik de man naast mij aan. Ik neem een grote slok bier. Johnny kijkt me nog een keer lachend aan. Hij staat op en loopt de deur uit. “See you soon my friend”, zegt hij als hij de straat op stapt.

“Dat was….dat was….”

“Johnny Cash”, vult de barman droogjes aan. Hij draait zich om, loopt naar de cd speler en drukt op play. Hurt klinkt door het lege cafe. Ik bestel een biertje en staar in gedachten verzonken voor me uit.

De koelkast

March 9th, 2010

Het was koud in de stad. Ik fietste en fietste en ik had het warm. Niet omdat ik zo hard fietste. Het tegenovergestelde was eerder het geval. Mijn gebrek aan snelheid zou eerder een koud gevoel door mijn lijf moeten laten gaan, maar ik had het warm. Op mijn fiets in de stad.

Ik had zojuist een huis bekeken. Een huis waar ik wilde wonen. Een huis dat mijn huis moest worden. Een huis dat ik zou ruilen voor mijn huis. In een stad die ik zou ruilen voor mijn stad. Ik zou een eind komen, maar de twintig jaar in Hoorn niet gaan redden. Ik was zojuist in het huis geweest dat mijn huis zou gaan worden.

Ze had het zelf gezegd. Ze was blij dat ik zo enthousiast over hun huis was. Ze hoefde mijn huis niet eens te zien. Was ze alleen geweest dan zou ze ongezien ja zeggen en de papieren ondertekenen. Zij blij ik nog blijer. Het was slechts zaak om een week later haar man te overtuigen. Daar hoefde ik me geen zorgen over te maken. Ze bleek geweldig te kunnen liegen.

De afmetingen van mijn woonkamer met open keuken viel ze een beetje tegen. De afmetingen van hun woonkamer werd in hun hoofd opgeblazen tot de afmetingen van een voetbalveld. Konden ze hun koelkast wel kwijt? De koelkast als struikelblok voor een voor beide partijen betere woonsituatie? Je gaat een huis toch niet weigeren, omdat de kleur van de dakpannen niet bij je bank past?

De koelkast werd gebruikt als struikelblok. De werkelijkheid bleek een andere optie te zijn. Ik zag het deze week staan. Een driehoeksruil. Met een iets ruimere woning dan dat ik ze kon bieden. De koelkast had makkelijk gepast. Het andere huis was gewoon aantrekkelijker. Niets mis mee met een betere aanbieding, maar zeg dat dan gewoon. Doe het niet met een smoes, maar zeg het gewoon.

Om een lang verhaal kort te maken. Ik zoek dus nog steeds een woonruimte in de grote stad die Amsterdam heet. Mijn wensen zien niet groot. Een klein huisje is genoeg. Twee kamertjes is all I need. Ik heb eventueel een drie en een halve kamer woning in Hoorn er voor te ruil. Weet u iets? Kent u iemand die iets weet? Wilt u voor mij uw oren en ogen open houden?

Brillantine

February 9th, 2010

Een derde Kalua, een derde Vodka, een derde melk. De Kalua en de melk kunnen vervangen worden door Tia Maria, Baileys en Cream, maar ik drink de The Dude versie van de White Russian.

Een derde Kalua, een derde Vodka, een derde melk. Ongeveer, want ik ben nog op zoek naar de ideale mixcombinatie. Iets minder vodka de volgende keer mag wel. Iets meer melk dempt de scherpe vodka smaak, maar killed ook het vleugje Kalua. Iets minder vodka, een klein beetje meer melk en iets meer Kalua. De volgende smaakt inderdaad beter. Mijn olifanten geheugen onthoudt de visuele hoeveelheden voor de volgende keer.

Daar sta ik. Midden in de woonkamer. Dit keer geen Havilah uit de speakers, maar het Blue Harlem radio station van Last.fm. Imelda May zingt in Blue Harlem een cd vol met jazz en swing. Vanavond is mijn woonkamer een rokerige club. Mijn haar zit in een brillantine scheiding. Een glas White Russian in mijn linkerhand. Met een filtersigaret losjes in de rechter dans ik door de donkere club.

Ik neem nog een slok White Russian. Ik trek een grote wolk rook mijn verteerde longen in. Mijn voeten dansen de volgende swing plaat kapot. Mijn hersenen schieten heen en weer. Van haar naar hier. Van hier naar daar. Via mijn geluk naar de verontwaardiging. Langs mijn woede en voorbij een harde lach. De grote zoektocht naar inspiratie.

“Het gaat zeker goed met je?”, zei een vriendin zaterdag op de markt. “Je schrijft niet meer.” Ze heeft gelijk. Het gaat goed met mij. Het wachten en het hopen is voorbij. De zinloosheid is ingezien. Ik schreef het zelf. Can I only write when I’m miserable?

Ideeen genoeg. Inspiratie is in mijn leven nooit ver weg. De verhalen liggen voor een observator op straat. Voor mijn neus of anders net om de hoek. Mijn hoofd vormt de stukken als vanzelf. Automatisch en toch komt er niets op papier.

Mijn voeten dansen het volgende swing nummer aan flarden. Het glas in mijn linker hand. De filtersigaret losjes in de rechter. Mijn haren glimmen van de brillantine. Ik neem nog een slok. De mix is bijna perfect. Ik trek aan mijn sigaret. De rook brandt nicotine bevrediging in mijn verteerde longen. De verhalen vormen zich als vanzelf in mijn hoofd.

Ik moet me nodig weer eens een stuk schrijven…

Jay Reatard R.I.P.

January 14th, 2010

Jay Reatard died last night in his sleep. Only 29 years old. Goddamn. Way to young. There was still so much cool music in him. All we have left to do is play the awesome music he gave us….

R.I.P. Jay we will miss you….

#minirecensies

December 28th, 2009

-Rolling Stones-Let It Bleed. Gimme Shelter, Country Honk, Monkey Man. Hoe kun je dan in hemelsnaam The Beatles nog prefereren?

-Left Lane Cruiser-All You Can Eat. Tweemans Whiskey fueled hillgrassbluesbilly schiet kneiterhard richting 2009 top 10. Vies!

-Rock Plaza Central-…At The Moment Of Our Most Needing Or If Only They Could Turn Around, They Would… = geen ruimte meer over

-The Alcazar Hotel-Come on! Dig The Unified Theory! De leukste totaal onbekende (58 lastfm plays) plaat van het jaar.

-The Madd-Are Pretty Quick. Tegenvaller van het jaar. The Madd kan geweldig coveren, maar zelf geen goede plaat schrijven.

-The Eagles-welk nummer dan ook. De meest verschrikkelijke band aller tijden. Dan liever Blof. Denk ik. Toch? Of niet? Ehm….

Uit de polderklei getrokken

December 5th, 2009

Deel 5

Op honderd meter van het nieuwe huis is een sloot. Een sloot om in de zomer met een rubberbootje in te dobberen. In de winter kunnen we schaatsen. Want vroeger kon je iedere winter nog schaatsen. Bij de bungalows rechtsom. Een rondje nieuwbouw stad ligt dan voor je. In de stomste buurt van onze woonplaats, waar volgens ons alleen maar tuig woont, lijkt het altijd te dooien en moeten we klunen.

Op 836 met mijn stappenteller getelde stappen van huis ligt mijn nieuwe lagere school. Bijna gaf mijn vader daar les. Ik word net als alle andere jongens verliefd op de juf in de vierde klas. Het jammer vindend dat ze maar twee dagen les geeft. Tijdens een herfstwandeling voel ik me koning als ik haar hand vast houd. Jonge stad, jonge kinderen, jonge juffen. Met carnaval ben ik verkleed als Paul Stanley. Er is net niet genoeg zwarte verf voor mijn pruik.

Nieuwbouw steden zijn een paradijs voor kleine kinderen. Waar je ook naar toe kijkt, je ziet bouwplaatsen. Zijn we op zaterdag niet bezig om daar iets te slopen, dan zijn we op Jeugdland. Een permanent huttendorp aan de rand van de stad. We bouwen er een hut. Verkopen er poffertjes in Flip’s poffertjeskraam. Ik sla een gat in mijn eigen achterhoofd en een spijker in mijn teen.

De buren op het hoekje hebben een kuikentje uit een eendennest gehaald. De moeder was al uren weg zeggen ze. Ik vind ze stom, maar ga toch kijken. Nieuwsgierigheid wint altijd. We mogen zomaar naar binnen. Ik vind het aparte mensen. De woonkamer ligt vol met grote kunststof letters. Hij doet iets met reclame geloof ik. Ik heb er niets van begrepen, want ik luister niet naar wat hij verteld. Het kuikentje kan me ook niets meer schelen. Ik ben gefascineerd door de letters.

Achter ons woont Arnold. Arnold vindt de Opel Kadet de mooiste auto die er is. Waarschijnlijk omdat zijn vader er een rijdt. Arnold heeft speelgoed vrachtwagens waarmee we op de vloer van zijn slaapkamer spelen. Ik vind dat ik veel beter het geluid van een vrachtwagen na kan doen. Arnold vind van niet. We draaien ook muziek, maar Arnold heeft alleen Shakin’ Stevens en Henk Wijngaard. Ik hou van de Stray Cats en The Rolling Stones.

Uit de polderklei getrokken. Een autobiografie van mijn leven.
Deel
1, 2, 3, 4