De koelkast
March 9th, 2010Het was koud in de stad. Ik fietste en fietste en ik had het warm. Niet omdat ik zo hard fietste. Het tegenovergestelde was eerder het geval. Mijn gebrek aan snelheid zou eerder een koud gevoel door mijn lijf moeten laten gaan, maar ik had het warm. Op mijn fiets in de stad.
Ik had zojuist een huis bekeken. Een huis waar ik wilde wonen. Een huis dat mijn huis moest worden. Een huis dat ik zou ruilen voor mijn huis. In een stad die ik zou ruilen voor mijn stad. Ik zou een eind komen, maar de twintig jaar in Hoorn niet gaan redden. Ik was zojuist in het huis geweest dat mijn huis zou gaan worden.
Ze had het zelf gezegd. Ze was blij dat ik zo enthousiast over hun huis was. Ze hoefde mijn huis niet eens te zien. Was ze alleen geweest dan zou ze ongezien ja zeggen en de papieren ondertekenen. Zij blij ik nog blijer. Het was slechts zaak om een week later haar man te overtuigen. Daar hoefde ik me geen zorgen over te maken. Ze bleek geweldig te kunnen liegen.
De afmetingen van mijn woonkamer met open keuken viel ze een beetje tegen. De afmetingen van hun woonkamer werd in hun hoofd opgeblazen tot de afmetingen van een voetbalveld. Konden ze hun koelkast wel kwijt? De koelkast als struikelblok voor een voor beide partijen betere woonsituatie? Je gaat een huis toch niet weigeren, omdat de kleur van de dakpannen niet bij je bank past?
De koelkast werd gebruikt als struikelblok. De werkelijkheid bleek een andere optie te zijn. Ik zag het deze week staan. Een driehoeksruil. Met een iets ruimere woning dan dat ik ze kon bieden. De koelkast had makkelijk gepast. Het andere huis was gewoon aantrekkelijker. Niets mis mee met een betere aanbieding, maar zeg dat dan gewoon. Doe het niet met een smoes, maar zeg het gewoon.
Om een lang verhaal kort te maken. Ik zoek dus nog steeds een woonruimte in de grote stad die Amsterdam heet. Mijn wensen zien niet groot. Een klein huisje is genoeg. Twee kamertjes is all I need. Ik heb eventueel een drie en een halve kamer woning in Hoorn er voor te ruil. Weet u iets? Kent u iemand die iets weet? Wilt u voor mij uw oren en ogen open houden?

Imelda May ziet er geweldig uit. Ze heeft een groene jurk aan met panterprint. Haar haar zit in een strakke kuif gerold. De begeleidingsband is van goed (drummer), naar beter (gitarist en bassist), naar geweldig (trompetist). Die begeleidingsband zet een strak en solide geluid neer waar overheen de stem van Imelda kan excelleren. Tijdens de eerste twee nummers is het geluid van de zang nog een beetje blikkerig afgesteld alsof het tegen rondzingen aan zit, maar daarna is het precies goed. Ingetogen waar het ingetogen moet zijn. Hard waar het harder kan. Een heerlijk rauw rafelrandje wanneer we vanuit de nachtclub de regenachtige straat op getrokken worden. 
Daar was ze. De presentatrice die zich als een rock and roll vrouw uit de jaren vijftig vermomd. The object of my affection. Iedere zondag voor een paar minuten. Ze was in beeld en ik herinnerde haar naam weer. An Lemmens. An stelde de jongen voor die vorige week nog met het zielige meisje danste, maar dat deze week om onduidelijke redenen niet meer mocht. Hij moest deze avond met een mooie lange slanke negerin dansen. Ze deden alsof ze heel blij met elkaar waren en vouwden een papiertje open waar op stond dat ze een moderne dans moesten dansen. De jongen die vorige week nog met het zielige meisje mocht dansen, maar deze week om onduidelijke redenen niet meer, bleek een hiphop danser te zijn en de moed zakte weg uit zijn ogen bij het lezen van de woorden moderne dans.
Zwart. De band is in het zwart gekleed. Behalve de bassiste Fiona Kitchin Die heeft een rood zomers jurkje aan. Om die kleur explosie op het podium te compenseren staat ze het hele concert met haar rug naar het publiek geconcentreerd de nummers bij elkaar te pompen. De zanger/gitarist Gareth Liddiard moet nodig een broodje frikadel eten. Het liefst twee. Met heel veel mayonaise. Een paar luciferhoutjes in het zwart. Uit dat breekbare lijf komt een stortvloed aan gitaargeweld en zang. Een plectrum is niet nodig. Gitaar spelen doe je met je blote handen. Een tremolo laat je gewoon niet los.
Dit is geen muziek die tranen uit me trekt als bijvoorbeeld Woven Hand of William Elliott Whitmore dat kunnen. Dit is wel muziek die tegen mijn huid aan spat, naar binnen dringt en zich nestelt in al mijn cellen. Ik voel me hondsberoerd, maar ik weiger te capituleren. Tollend op mijn benen zuig ik het concert op. Zwetend als een os zit ik in de trein. Ik ben bek af en wil naar huis. Slapen zal me niet lukken. The Drones zitten in mijn botten en mijn spieren. Totaal hyper staar ik in bed naar het plafond. 





